Zuidoost Jemen, twaalf december 2013. Een Amerikaanse drone volgt een konvooi gewapende Al Qaida-leden dat door de woestijn rijdt. De bestuurder van de drone wacht tot de pick-up trucks een smalle bergpas inrijden. Daar zijn ze een makkelijk doelwit. De drone vuurt enkele raketten af en zeventien mensen sterven. Mission accomplished.

Achteraf blijkt dat in het door oorlog verscheurde Jemen iedereen wapens draagt bij een lange rit door de woestijn. Het konvooi bestond uit een groep burgers op weg naar een bruiloft. Woops, inschattingsfoutje. Gênant. Twaalf van de zeventien gedode burgers zijn onschuldig. De vijf andere slachtoffers zijn mannen, ouder dan twaalf jaar, van wie de onschuld niet bewezen kan worden. Dat maakt hen, volgens de officiële Amerikaanse richtlijn, "vijandige strijders".[1]

Het bloedbad op weg naar de bruiloft was geen unicum. De afgelopen vijftien jaar troffen drone strikes in Pakistan 3341 mensen. Waarvan 52 terroristen, 190 kinderen en 534 burgers.[2] Met maar liefst veertien bewezen onschuldige slachtoffers voor elke bewezen terrorist, zou je verwachten dat deze ineffectieve campagne wordt stopgezet. Waarom gebeurt dat niet?

Voor Barack Obama, de ultieme verantwoordelijke voor die drone strikes, zou een stopzetting politiek onverstandig geweest zijn. Zoals alle politici in een democratie streed ook de Amerikaanse president om de gunst van de kiezer. Die kiezer wil geen terreuraanslag op Amerikaanse bodem en geeft zo goed als niets om onschuldige slachtoffers aan de andere kant van de wereld. De rekening is dan ook snel gemaakt. Autoriseer je de drone strike niet, dan loop je het risico dat één van de mannen die je in het vizier had later een terroristische aanslag pleegt. Lekt dat uit, kan je het bij de volgende verkiezing wel vergeten.[3] Geef je wel groen licht, dan dood je honderden onschuldigen waar de kiezer geen moer om geeft. Wie (her)verkozen wil worden, weet wat te doen.

Deze cynische manier van kijken heet selectorate theory. Die theorie focust op de wereld zoals hij is en niet op hoe hij zou moeten zijn. Dat maakt ze volgens mij uitstekend geschikt om het (soms moreel verwerpelijke) gedrag van politieke leiders overal ter wereld te begrijpen. Selectorate theory stelt dat politiek draait om het veroveren en behouden van macht, en dus niet om vage begrippen als 'het algemeen belang'. De spelers in dat machtsspel zijn individuen, en dus geen partijen of landen (die zijn niet meer dan een optelsom van individuen). Politici die aan de macht willen komen en blijven, moeten duidelijke wetmatigheden volgen. Voor een politicus in een democratie, bijvoorbeeld een Vlaamse partijleider, zien die er als volgt uit:

Aan de macht blijven in je partij is het belangrijkst. Electoraal succes komt op de tweede plaats, maar enkel als middel om je machtspositie in de partij te behouden en te versterken. Brengt electoraal succes voor de partij je machtspositie in gevaar, moet je die beschermen. Beter een populaire concurrent buitenwerken dan met hem de verkiezingen winnen en het risico lopen dat hij je vervangt. Dat begreep de VLD-top toen ze in 2006 de populaire Jean-Marie Dedecker uit de partij zette.

Op een verre derde plaats komen morele of ideologische overwegingen. Die zijn niet meer dan een persoonlijke luxe wanneer je positie in de partij onaantastbaar is. Niet elke startende politicus is een machtswellusteling. Maar wie morele en ideologische overwegingen niet opzij schuift voor zijn politieke carrière, zal vervangen worden door iemand die daar wel toe bereid is. Dat begreep Angela Merkel, die enkel pro-vluchtelingen was zolang dat haar positie in de partij niet bedreigde.

Selectorate theory verklaart dus meer dan Obama's drones. Ze werpt ook een verhelderend licht op de graaicultuur bij Vlaamse politici, een oud en gekend probleem dat enkele weken geleden terug aan de oppervlakte kwam. Parlementsleden klussen bij in de adviesraad van bedrijven, ook al hebben ze al een hoog loon en een riant pensioen. Schepenen van grote én kleine gemeenten strijken hoge vergoedingen op voor vergaderingen van vage intercommunales waarop ze soms niet eens aanwezig zijn.

Dat lijkt tegenstrijdig. Politici die hun zakken vullen op kosten van de belastingbetaler, dat is net wat de kiezer niet wil. Waarom staan alle partijen dan toe dat hun mandatarissen bijverdienen? Waarom zijn de lonen en pensioenen van parlementsleden zo hoog?

Wel, politiek draait om individuen die macht willen verwerven en behouden. In België heeft de partijleiding de macht in handen.[4] Het uitdelen van parlementszetels is voor de partijvoorzitter een uitstekend middel om zijn greep op de partij te verstevigen.[5] Het geeft hem de mogelijkheid om trouwe partijsoldaten te belonen. Daarom zijn de lonen voor parlementsleden zo hoog: als parlementsleden er merkelijk op achteruit gaan bij een overstap naar de privé, zullen ze hun zitje niet riskeren door tegen de partijtop in te gaan.[6]

Het uitdelen van parlementszetels is naast een instrument om trouw te belonen ook een goede manier om rivalen onschadelijk te maken. In 2012 haalde Egbert Lachaert als relatief onbekende kandidaat 41% bij de voorzitterverkiezingen van Open Vld. Winnares Gwendolyn Rutten wist wat haar te doen stond: Lachaert kreeg bij de volgende verkiezingen een hoge plaats op de lijst aangeboden, en dus een zo goed als zeker zitje in de Kamer. Daar houdt hij zich nu bezig met arbeidsrecht, een weinig mediagenieke materie. Concurrent geneutraliseerd.

De graaicultuur bestaat dus omdat ze de macht van de partijleiding vergroot. De partijtop koopt trouw met parlementszetels, lucratieve zitjes in intercommunales en de toestemming om bij te verdienen in de adviesraden van bedrijven. Maar als voorzitter moet je een evenwicht zoeken. Laat je mandatarissen te weinig graaien, ondermijn je enkel je eigen macht. Laat je ze te veel graaien, dan stijgt de publieke verontwaardiging en loop je kans de rekening gepresenteerd te krijgen bij de volgende verkiezing. Bij een nederlaag daalt het aantal uit te delen postjes, en riskeer je als voorzitter vervangen te worden door iemand die de partij terug naar electorale triomfen (lees: meer mandaten) kan leiden.

Kijken we naar de evenwichtsoefening van sp.a-voorzitter John Crombez. Als antwoord op de commotie van de afgelopen weken pleit hij voor een loonplafond voor sp.a-mandatarissen, 6.600 euro netto per maand. Maar wat blijkt: bijna alle mandatarissen zitten onder dat bedrag en voor ministers geldt een uitzondering.[7] (Kwestie van andere machtigen in de partij, die na de volgende verkiezingen minister hopen te worden, niet te schofferen.) Kortom, John Crombez doet zo goed als niets. Zijn inschatting is blijkbaar dat de kans op een electorale afstraffing niet zo groot is. Door in te grijpen zou hij dus nodeloos aan de poten van zijn eigen stoel zagen.

Wat ons bij het laatste punt brengt. Democratie is een strijd om de gunst van de kiezer, maar met een belangrijke kanttekening. Wat de kiezer aan de toog of op Facebook zegt, is vanuit het standpunt van de partijleider niet belangrijk. Dat hij het vertrouwen in de politiek verliest ook niet. Het enige dat telt is wat hij met zijn stem doet. Obama's kiezers treuren misschien om onschuldige droneslachtoffers, maar zolang ze toch op Obama stemmen zijn die gevoelens politiek irrelevant.[8] Als onthullingen over de graaicultuur er niet voor zorgen dat kiezers anders stemmen, blijft de berekening van partijleiders hetzelfde en zal er dus niets veranderen.

Daar gaan de meeste commentatoren de mist in. Ze hopen dat verontwaardiging in de media ertoe leidt dat beschaamde politici niet meer zullen zondigen. Maar dat is wishful thinking, want de logica van het systeem zet politici er net toe aan dat wel te doen. Meedraaien in de graaicultuur is een rationeel antwoord op de onverschilligheid van de kiezer.[9] Wie de graaicultuur wil stoppen moet dus kiezers activeren, niet politici kastijden. Pas wanneer de kiezer zich niet beperkt tot geklaag maar zich ook in het stemhokje laat gelden, verandert de afweging die partijvoorzitters maken. Mocht uit een peiling blijken dat de sp.a de helft van zijn kiezers verliest, zou Crombez wel wat anders voorstellen dan een ineffectief loonplafond. Zo'n electoraal verlies brengt immers zijn machtspositie in gevaar.

De kiezer kan partijvoorzitters dwingen hun macht in te perken. Via het stemhokje kan hij drie structurele maatregelen eisen die het gemakkelijker maken wantoestanden af te straffen. Het afschaffen van de lijststem en de opvolgers geeft de partijleiding minder invloed op wie verkozen wordt.[10] Het afschaffen van de kiesdrempel maakt het voor rebellerende parlementsleden of politieke nieuwkomers aantrekkelijker om een nieuwe partij op te richten.[11] Het afschaffen van de stemplicht laat de kiezer thuisblijven als hij niet overtuigd is door de bestaande partijen.

Partijvoorzitters gaan deze maatregelen nooit vrijwillig nemen. Daarvoor zijn ze een te grote aantasting van hun macht. Daarom moet de kiezer wakker worden en een kentering forceren door bewuster en assertiever te stemmen. De drie voorgestelde hervormingen zijn niet perfect, maar wel veel constructiever dan oeverloos gejammer over de morele gebreken van politici.



  1. CNN: Yemen says U.S. drone struck a wedding convoy, killing 14
    The New York Times: "Mr. Obama embraced a disputed method for counting civilian casualties (..). It in effect counts all military-age males in a strike zone as combatants (...) unless there is explicit intelligence posthumously proving them innocent." ↩︎

  2. http://drones.pitchinteractive.com/
    De 2565 andere slachtoffers waren, volgens Obama, vijandige strijders. Maar wat hij daaronder verstaat weten we al: mannen van wie de onschuld niet bewezen kon worden. ↩︎

  3. Waarschijnlijk leidt het doden van onschuldigen op termijn tot meer terroristen, maar dat is een probleem voor de volgende generatie politici. ↩︎

  4. Ik gebruik 'partijleiding' en 'partijvoorzitter' door elkaar. In werkelijkheid is het natuurlijk niet zo dat die twee samenvallen. Geen enkele voorzitter is almachtig, in iedere partij ligt de macht bij een kleine groep mensen. ↩︎

  5. Een partijvoorzitter kan parlementszetels uitdelen door de lijststem en het systeem met opvolgers.

    Een lijststem zorgt ervoor dat wie bovenaan de lijst staat, eerst verkozen wordt. De partijleiding bepaalt de volgorde van de lijst, en dus wie verkozen wordt.
    http://deredactie.be/cm/vrtnieuws/2.10380/1.799363

    Wanneer iemand zijn parlementszetel opgeeft, bijvoorbeeld omdat hij minister wordt, komt er iemand in de plaats: zijn opvolger. Je zou verwachten dat die vervanger dan degene is die, na de nieuwe minister, het meeste voorkeursstemmen haalde. Dat klopt niet: het is de eerste persoon op de opvolgerslijst. Dat is een overbodige tweede lijst, die niet in de publieke belangstelling staat en de partijen dus toelaat volslagen onbekenden in het parlement te parachuteren. In een ideale wereld is dat een manier om politici met meer dossierkennis dan populariteit in het parlement te loodsen. In de praktijk gebruikt de partijtop dit mechanisme om haar getrouwen te belonen. In 2014 was één vierde van onze volksvertegenwoordigers zo'n opvolger en dus niet rechtstreeks verkozen!
    http://newsmonkey.be/article/7328 ↩︎

  6. Incompetente parlementsleden hebben het meest te verliezen en vormen dus de trouwste partijsoldaten. Een partijvoorzitter heeft natuurlijk liever een parlementslid dat trouw én competent is. Maar moet je kiezen, dan is trouw altijd belangrijker dan competentie. Vraag dat maar aan Frank Vandenbroucke, geroemd om zijn expertise maar door sp.a-voorzitster Caroline Gennez op een zijspoor geduwd toen hij zijn ongenoegen over de partijlijn in de media uitte. (2008-2009) ↩︎

  7. De Standaard: "De SP.A start met een loonplafond voor haar mandatarissen. (...) Slechts een handvol politici moet zich aangesproken voelen. ↩︎

  8. Hetzelfde voor Trump's racisme en seksisme. De blanke, hoogopgeleide, gematigde Republikein voelde zich daar niet comfortabel bij en verkoos een klassiekere kandidaat. Maar uiteindelijk stemde hij toch op Trump en maakte zijn ongemak dus niets uit. ↩︎

  9. Vier voorbeelden voor wie niet genoeg krijgt van dit onderwerp:

    Socioloog Luc Huyse observeert in 'Partijen zijn de hamsters van de macht':
    Waarom woekert dit democratisch zeer al zo lang? Het antwoord ligt grotendeels in de teloorgang van de verkiezingen als ziel van de democratie. Ze zijn door de partijen gekaapt voor eigen gewin. In principe bezorgt de stembus de politici een kompas. Zij geeft aan welke richting het beleid moet inslaan. Links of rechts, welke weg de snelste is om de openbare schuld of de werkloosheid te verminderen, hoe terrorisme het best te bestrijden is. Maar zonder dat de kiezer het beseft, interpreteren de partijen zijn stem ook en vooral als een ticket dat de deur naar zelfbediening openzet.[Vervolgens beschrijft hij een stuk lang de systematische manier waarop partijen aan zelfbediening doen en drukt hij de hoop uit deze affaire een wake-up call is en politici uit schaamte iets aan de graaicultuur zullen doen.]

    Met die observatie zijn twee dingen mis. Ten eerste staat het zinnetje "zonder dat de kiezer het beseft" daar wat verloren, terwijl het de kern van de zaak is. De rest van het stuk had daarover moeten gaan. Ten tweede stelt hij dat partijen aan zelfbediening doen. Dat klopt niet. Partijen zijn slechts een verzameling van individuen, en die doen aan zelfbediening omdat de partijleiding dat toelaat omdat het haar macht vergroot.

    Een soortgelijke redenering maakt historicus Marc Reynebeau in het uitstekende essay De ijsberg van de particratie:
    Het graaien (vaak slechts om klein gewin) is niet meer dan een neveneffect. Het gebeurt in een schemerzone die de uitwas is van een veel kwalijker fenomeen, de particratie, de ondoorzichtige macht van politieke partijen. Het probleem ermee ligt niet in de macht van voorzitters om te beslissen over coalities of over wie minister of burgemeester mag worden. Onder de waterlijn schuilt een veel grotere ijsberg van onzichtbare, soms informele maar daarom niet minder reële macht. Die macht trekken regerende partijen naar zich toe door de publieke besluitvorming weg te halen uit parlementen of gemeenteraden. Ze koloniseren en verkavelen die en hevelen ze over naar veel discretere, technocratische cenakels waarop nauwelijks of helemaal geen politiek of democratisch toezicht bestaat – en dat vooral niet wordt aangemoedigd.

    Inzichtsvolle vaststelling, maar Reynebeau lijkt er een lange-termijn strategie in te zien om de kiezer buitenspel te zetten en de macht te verankeren in de partij. Dat is niet onmogelijk, maar wel onwaarschijnlijk. Denk aan de drie regels voor leiders: eerst aan de macht komen en blijven, vervolgens die macht vergroten en dan pas frivoliteiten als partijliefde of ideologie. Het overhevelen van macht naar technocratische cenakels past perfect bij de eerste regel. Een minder zichtbaar mandaat zal niet snel verdwijnen onder druk van de kiezer en is dus een aantrekkelijkere beloning voor een trouwe volger. Dat het kluwen op den duur zo onoverzichtelijk wordt dat zelfs de voorzitter, en zeker de volgende voorzitter, er niet meer aan uit kan, maakt het voor de mandataris in kwestie nog aantrekkelijker.

    De particratie is het product van individuele partijleiders die hun macht willen behouden en vergroten. De term 'partijleidercratie' zou eigenlijk meer op zijn plaats zijn, maar dat klinkt natuurlijk niet zo goed.

    In een andere context, over het Europese grensagentschap Frontex, schreef correspondente Caroline De Gruyter:
    Zo laat Frontex heel mooi – of heel triest – zien wat er gebeurt als Brussel een belangrijke taak krijgt, maar niet de macht en het geld om die goed uit te voeren. De taak was: Schengen beheren. De middelen om dat te doen zijn onder andere een gezamenlijke asiel- en migratiepolitiek en een stevige grensbewaking. Die zijn allebei niet van de grond gekomen, omdat lidstaten er niet aan willen. Dus valt het Schengen­beheer bij de geringste beproeving in duigen. En roepen de mensen: ‘Zie je wel, de EU faalt. Weg ermee!’
    Nationale politici zouden op dat punt kunnen uitleggen dat ze fouten hebben gemaakt. Dat zíj verantwoordelijk zijn. En dat ze die fouten nu gaan herstellen. Maar dat gebeurt niet. Ze schelden lekker mee op Brussel.


    ... Uiteraard! Natuurlijk scheld je als politicus lekker mee op Brussel in plaats van je eigen fout toe te geven. Niet omdat je van nature een hypocriet bent, maar omdat de kiezer dat schelden niet afstraft en zelfs aanmoedigt. Je kan bezwaarlijk van politici verwachten dat ze electorale zelfmoord plegen door eerlijk te zijn. Politici zijn hypocriet omdat de kiezer dat beloont. Wil je iets aan politieke hypocrisie doen, moet je focussen op de kiezer.

    Tot slot vraagt journalist Walter Zinzen zich af of we nog wel partijen nodig hebben. Hij wil een debat over hoe we onze democratische verworvenheden los kunnen weken uit de klauwen van eigengereide, autocratische, machtsgeile partijbonzen. Het klopt dat ons systeem dat soort karakter vereist om de politieke top te bereiken. Maar dat is enkel zo omdat de kiezer ligt te slapen. Misschien zijn er voordelen aan meer burgerparticipatie, directe democratie of het vervangen van verkiezingen door loting (zoals David Van Reybrouck wil). Maar ook die systemen zijn corrumpeerbaar. Geen enkel systeem kan functioneren zonder een wakkere burger. Om een oude quote boven te halen: The price of liberty is eternal vigilance. ↩︎

  10. Zie voetnoot 5. ↩︎

  11. Waar moet een ontgoochelde centrumrechtse kiezer nu naartoe? CD&V, Open Vld en N-VA hebben boter op het hoofd, net als de sp.a. Vlaams Belang en Groen staan ideologisch te ver. Geen wonder dat vooral de centrumrechtse partijen zich niet lijken te haasten om hervormingen door te voeren. Nederland heeft geen kiesdrempel en telt naast de VVD van Rutte en de PVV van Wilders nog twee kleinere rechtse partijen. Dat geeft de kiezer meer opties om druk te zetten op de klassieke rechtse partijen. ↩︎